Praktische tips voor bemonstering

08 maart 2016

Elk GMP+ gecertificeerde producent of handelaar van diervoeders dient monsters van zijn producten te nemen. Dit gebeurt allereerst als onderdeel van het traceerbaar-heidssysteem. Deze monsters dienen te worden bewaard en worden onderzocht als er mogelijk iets aan de hand is met het diervoeder. Daarnaast worden in het kader van monitoring en verificatie (onderdeel van de HACCP-stappen) ook monsters genomen en vervolgens geanalyseerd.

In deze nieuwsbrief behandelen we enkele punten over de bemonstering.

Algemeen

Het is belangrijk dat monstername correct plaatsvindt en er representatieve monsters worden genomen. Dit draagt, samen met goed uitgevoerd analytisch onderzoek, bij aan betrouwbare analyseresultaten. Zo kunnen de juiste conclusies over de kwaliteit en veiligheid van het geproduceerde of geleverde diervoeder worden getrokken.

In de GMP+ B1, B2 en B3 standaarden zijn voorwaarden voor monstername vastgelegd. Daarbij wordt ook verwezen naar GMP+ appendix BA13.

Bewaarmonsters

Voor wat betreft het nemen van monsters in het kader van de traceerbaarheid sluiten de GMP+ standaarden aan bij de Europese wetgeving. Er moeten monsters van zowel inkomende als uitgaande diervoederproducten  worden genomen. Deze monsters worden ‘bewaarmonsters’ genoemd.

Bewaartijd

Let er op dat de monsters voldoende lang worden bewaard. In de GMP+ voorwaarden is op dit punt de formulering uit de EU-wetgeving opgenomen. De monsters dienen minimaal bewaard te worden ‘gedurende een periode die is afgestemd op het gebruik waarvoor het diervoeder in de handel wordt gebracht.’

Deze voorwaarde houdt voor GMP+ bedrijven in dat zij de monsters minimaal moeten bewaren totdat het diervoederproduct vervoederd is.

Er zit soms veel tijd tussen de productie van een diervoederingredient en het moment dat de dieren het hebben gegeten. Neem bijvoorbeeld als producent van diervoederingrediënten ook de tijd in acht van het transport (bijvoorbeeld zeetransport), de eventuele tussenopslag (in een haven, of een silo elders), de doorlooptijd van verwerking bij mengvoederproducenten en de vervoedering van het mengvoeder bij de veehouder.

In GMP+ BA13 staat in hoofdstuk 4 een tabel met minimale bewaartijden. Deze dient u inderdaad als minimale bewaartijden te beschouwen. Het kan noodzakelijk zijn om soms nog langere bewaartermijnen aan te houden.

Verzegeling en opslag

De monsters (dus ook de bewaarmonsters) moeten verzegeld worden. Hiervoor zijn er verschillende mogelijkheden. Het doel is eventuele misverstanden over de integriteit van de monsters uit te sluiten. Bedenk ook dat de bevoegde autoriteiten maar ook GMP+ International deze monsters kunnen opvragen als daartoe aanleiding is. GMP+ gecertificeerde bedrijven zijn verplicht aan een dergelijk verzoek te voldoen.

Monsters waarin eventueel microbiologisch onderzoek kan worden uitgevoerd, moeten steriel genomen en verpakt worden.

Opslag van monsters moet zodanig zijn dat het monster geschikt blijft voor het doel waarvoor het monster is genomen. Een eventuele analyse van het monster moet betrouwbare resultaten opleveren. Bewaren in een koele en donkere omgeving houdt het monster vaak in de goede, vereiste conditie. Het spreekt verder voor zich dat ongedierte uit de monsteropslagruimte geweerd moet worden.

GMP+ voorwaarden voor monstername

Bemonstering moet gebeuren volgens vaste procedures. De monsternemer dient aan een aantal kwalificaties te voldoen, waaronder kennis van het diervoeder, kennis van de protocollen en ervaring met het nemen van monsters (opleiding!).

In GMP+ appendix BA13 zijn voor verschillende situaties protocollen opgenomen. Belangrijke onderwerpen die in elk protocol worden behandeld, zijn:

  • Plaats van bemonstering;
  • Apparatuur: schoon, deugdelijk en indient vereist: steriel;
  • Aantal ondermonsters en de manier waarop een eindmonster wordt gemaakt;
  • Minimale hoeveelheid monstermateriaal: er dient genoeg te zijn om relevante analyses uit te kunnen voeren;
  • Verzegeling, opslag en opslagcondities (zie ook 2.2.2);
  • Minimale bewaartijd (zie ook 2.2.1);
  • Identificatie en registratie van de monsters.

Het toetsen op het voldoen aan deze onderdelen dient tijdens de interne audit en ook tijdens het testen van de recallprocedure aan de orde te komen.

Aandachtspunten

  • Zoals eerder aangegeven worden ook monsters genomen in het kader van het monitorings- en verificatieplan. Deze monsters worden dus genomen om ze te analyseren. Het doel daarvan is te beoordelen of de geïdentificeerde risico’s in processen en producten (inclusief eventuele risico’s bij voorschakels) worden beheerst. En dat het diervoeder aan de gestelde specificaties voldoet. Het spreekt voor zich dat een slechte monstername, ondanks een uiterst kundig uitgevoerd analytisch onderzoek, nooit een betrouwbaar resultaat kan opleveren. Een reden te meer om zorg te besteden aan correcte monstername.
  • Het beoordelen van de manier waarop monsters worden genomen dient een onderdeel te zijn van de jaarlijkse interne audit.
  • Niet vergeten! Het opnemen van het bemonsteren van technische hulpstoffen in het bemonsteringsplan.
  • Er zijn handelaren die diervoeders fysiek niet opslaan of bewerken. Toch geldt voor deze handelaren de (wettelijke) plicht om (bewaar)monsters nemen. Echter, de GMP+ voorwaarden staan toe dat deze handelaren afspraken maken met hun leveranciers of hun klanten over monstername. Het gaat er daarbij om dat deze monsters beschikbaar zijn.

Meld je aan voor de GMP+ International nieuwsbrief

Volg het laatste GMP+ International nieuws