1. Hoe weet ik of ik daadwerkelijk een ingrediënt met een lage CO₂-voetafdruk ontvang?
In het kader van MI5.7 Feed LCA controleert de auditor de inkomende en uitgaande volumes op duurzaamheidskenmerken. Een product met een duurzaamheidskenmerk, zoals een lage CO₂-voetafdruk (CFP), moet worden ondersteund door gedocumenteerde, traceerbare en verifieerbare gegevens.
Deze gegevens kunnen verificatieverklaringen, primaire gegevensverklaringen en informatie over de CFP omvatten. Ook kunnen hierin details op het leveringsdocument zijn opgenomen waaruit blijkt dat het product is aangemerkt als GMP+ FRA-gegarandeerd – milieu-impact van diervoeder.
2. Kan ik verschillende gegevensbronnen voor ingrediënten combineren?
Ja. Je kunt gebruikmaken van:
Gegevens uit PEF-conforme databases zoals GFLI.
Geverifieerde LCA-onderzoeken (ISO 14044) en CFP- onderzoeken (ISO 14067).
Alle gegevens moeten voldoen aan de MI5.7 Feed LCA-eisen inzake gegevenskwaliteit (zie hoofdstuk 5).
3. Waarom moet ik gegevens van het voorgaande jaar gebruiken?
MI5.7 Feed LCA maakt gebruik van een vastgestelde referentieperiode om de consistentie en vergelijkbaarheid van de resultaten te waarborgen. In principe is dit het voorgaande kalenderjaar.
Je kunt ook gebruikmaken van een voortschrijdende dataset van 12 maanden, mits deze maandelijks wordt bijgewerkt en consistent wordt toegepast. Bij deze optie moeten niet alleen de herkomstgegevens van de ingrediënten worden bijgewerkt, maar ook de gegevens over energieverbruik en transport.
Alle datacategorieën – herkomst, energie en transport – moeten betrekking hebben op dezelfde referentieperiode.
4. Wat controleert de auditor eigenlijk?
Auditors controleren:
Je gegevensbronnen (herkomst van ingrediënten, inkoopcontracten, energierekeningen, primaire gegevensoverzichten).
Je procedures met betrekking tot MI5.7 Feed LCA (zoals de omschrijving van de reikwijdte en de gegevensinventaris).
Hoe je de berekeningsregels toepast (bijvoorbeeld de gekozen tool, herkomst en gewogen gemiddelden).
Of de resultaten traceerbaar zijn.
Of de communicatie correct verloopt.
Ze controleren zowel de gegevens als het proces, niet alleen het eindresultaat.
5. Hoe werkt de massabalans in de praktijk?
Met de massabalans kan een bedrijf binnen een vaste periode van maximaal drie maanden de ingekochte en verkochte hoeveelheden met bepaalde duurzaamheidskenmerken, zoals een lage CO₂-voetafdruk, met elkaar in evenwicht brengen. Fysieke scheiding is niet nodig.
Voorbeeld:
In het eerste kwartaal levert een bedrijf 1.000 ton soja met een lage CFP aan zijn klant.
Tegelijkertijd is er slechts 600 ton ontvangen van de leverancier. Dit betekent dat er op dat moment een tijdelijke onbalans is tussen de inkomende en uitgaande hoeveelheden, waardoor het bedrijf 400 ton conventionele soja gebruikt om het contract na te komen.
Binnen de voorraadperiode van drie maanden is dit toegestaan als: het bedrijf aan het einde van de periode de resterende 400 ton soja met een lage CFP heeft ontvangen en de totale inkomende en uitgaande hoeveelheden weer in evenwicht zijn.
(Opmerking: raadpleeg voor gedetailleerde regels altijd het volledige MI5.7 Feed LCA-document.)
6. Waarom draagt niet elke schakel in de keten bij aan de transportemissies?
Niet alle transportfasen hoeven afzonderlijk te worden toegewezen. Voor veel ingrediënten is het transport tot op zekere hoogte al in de database opgenomen.
Bijvoorbeeld:
Voor geteelde ingrediënten is het transport in verband met landbouwactiviteiten al toegewezen.
Voor verwerkte ingrediënten is het transport van het landbouwbedrijf naar de verwerkingsfaciliteit meegenomen.
Let daarom goed op de MI5.7-vereisten voor ingrediëntenselectie, energieverbruik en transport, zoals beschreven in §5.3 Selectie van grondstoffen, energiegebruik en transport.
Afsluitende opmerking
MI5.7 Feed LCA combineert flexibiliteit met geloofwaardige beweringen. Heb je nog vragen of voorbeelden die je wilt delen? Jouw feedback helpt ons onze richtlijnen voor iedereen te verbeteren.
Neem contact met ons op als je vragen hebt! mailto: info@gmpplus.org